het niet af afscheid
Nu het einde toch wel erg dichtbij komt moet ik natuurlijk wel een soort van epiloog schrijven. Maar weet niet zo goed waar ik moet beginnen, noch eindigen. Ik had veel dingen en doelen in gedachten toen ik op "ontwikkelingsreis" wilde. Varieerde van echte on-egoistische hulp willen bieden, iets goeds willen doen, mijn werkloosheidstijd opvullen, cv boosten, Engels blijven onderhouden, tot mezelf testen (dat zijn nog maar een paar dingen van de lijst). India niet bewust gekozen. Zuid-Afrika, Vietnam, Laos, Cambodja daar had ik het liefst heen gewild. India was in veel opzichten gewoon handiger, veiliger voor "meisjes" zoals ik en makkelijker realiseerbaar (Met dank aan Jeannette). Maar voor de arme kindjes in andere landen had het niks uitgemaakt. Ze zijn overal even arm, even ondervoed, even arm opgeleid, onder even zulke slechte omstandigheden, hygiene en omgeving. En met mijn er EVEN mee bemoeien heb ik naar mijn idee toch niet veel bereikt. Hun Engels is niet drastisch verbetert , en zelfs hun zingen is niet helemaal zo uit de verf gekomen zoals ik ik dat wilde. Ik heb het erg moeilijk gehad met dat ik persoonlijk weinig praktisch resultaat kon zien en voelen van mijn eigen bijdrage, maar ben doorgegaan, soms omdat ik het mezelf oplegde, soms omdat ik het toch gewoon leuk vond om de kindjes te zien spelen, eten krijgen. Ze zijn gewoon van hun slechte omstandigheden verlost van 16u tot 19u, terwijl ze les krijgen van de liefste leraren. De beste kinderen van de overkoepelende school kwamen uiteindelijk stuk voor stuk van het Kushi Project en da’s toch wel leuk. En de reactie van de kinderen zelf maakt het gewoon allemaal waard. Ook de afval op straat, het achteruitstellen (zacht gezegd) van de vrouwen, en behandeling van dieren kan me uiteindelijk niet van mijn lach beroven die ik heb als ik aan alle kinderen denk. Want een land van tegenstellingen is het hier absoluut. Rijke mensen – arme mensen, hoe jongens behandelt worden - hoe meisjes behandelt worden, de schoonheid van de natuur – de ongelooflijke onhygienische, en horizonvervuilende bergen van afval en plas en poep in de straten. De Ganges wordt vereerd, maar tegelijkertijd wordt er van alles ingegooid, in gevist (mag nml. niet) en van allemal onheilige dingen mee gedaan. De Ganges is verschrikkelijk mooi, maar heel heel vies. Ook hier aan het begin in de bergen. Terwijl mensen geld uitgeven aan verlichting en healing staat er een rij van een hele dag bij het governmenthospital. Een spiritueel centrum? Ik ben toch eerder geneigd het te zien als goeie commercie van de Indiase bevolking. Pas vanaf de Beatles werd het gezien en besproken en bevolkt. Een koe wordt behandelt als heilige, een vrouw als een stuk vuil, de straten als toilet, afvalbult en voedselverschaffing, een ezel gezien als een vrachtwagen, een hond als boxbal, buitenlanders als geldfontein. Je zou dus wel zo zachtjes aan kunnen zeggen dat ik een haat-liefde verhouding heb opgebouwd met dit land. Mijn berg (huisje op heuvel) was nml. weer het tegenovergestelde van al de drukte en vervuiling. Rust, ruimte, natuur, gezelligheid. Die liefde geldt vooral voor de schoolkindjes, de mensen met wie ik gewerkt en een band mee heb opgebouwd, de hond van mijn huisbaas, voor Madelien en Maria, Sunita en Sachin (maar met namen heeft een lezer niet veel waarschijnlijk) en de natuur die echt ongelooflijk is.
Nu ik in Delhi ben, mis ik het echt verschrikkelijk. En toch is Delhi hartstikke gaaf, vet en cool. Wel erg warm, maar nu in de avond is de warme wind onbeschrijflijk lekker op je huid en door je haar. Weer zin om naar huis te gaan, zien hoe mijn kindjes thuis zijn gegroeid, of de kerstboom die we vorig jaar in de tuin hebben gezet het gehaald heeft, of de buurvrouw nog aan het verbouwen is, of Toes nog leeft, of Oma deze maanden heeft overleeft, de nieuwe auto (tja sorry, blijf toch mezelf), hoeveel Jan en Sjan zijn afgevallen of aangekomen nu ik er niet was, en met Sos over van allemaal dingen te kletsten. Maar wil eigenlijk, absoluut, zeker en graag terug. Ik heb iets meer door hoe ik de kinderen iets kan bieden (ja, ik ben nou eenmaal erg langzaam met dat soort dingen begrijpen, pas in de laatste paar weken snapte ik het). Ik zal het project, op wat voor manier het voor mij mogelijk, en voor hen bruikbaar (willen) blijven ondersteunen.
Nu wil ik alleen nog maar zeggen: Tot Gauw. Want ik wil van de laatste uren van geluiden van riksja’s en airconditioning, hindi en getoeter genieten. En ik ga nu lekker al mijn muntjes aan alle bedelaarskindjes uitdelen die ik tegenkom. Heb ik toch nog wat gedaan. Dus: Tot Gauw. Kus, Kim.
